Warmte-etiketten
Wij werken hard aan het verduurzamen van onze warmtenetten. Sommige netten zijn al heel duurzaam, bij andere is er nog werk aan de winkel. Op de warmte-etiketten laten we in één oogopslag zien welke warmtebronnen er in een net gebruikt worden. Is het warmte uit de industrie of warmte uit de aarde? En wat is de CO₂-besparing ten opzichte van verwarmen met een cv-ketel op aardgas? Wij geven graag inzicht in de duurzaamheid van onze warmtenetten.
Bekijk de cijfers van onze grootste netten:
Benieuwd naar de cijfers van al onze netten?
Volle inzet op ontwikkeling duurzame bronnen
Met de warmte‑etiketten 2025 laten we zien hoe onze warmtenetten zijn opgebouwd en hoe ze scoren qua duurzaamheid. In één oogopslag is te zien welke warmtebronnen we gebruiken, zoals warmte uit de industrie, uit de aarde of uit oppervlaktewater, en hoeveel CO₂ we daarmee besparen ten opzichte van verwarmen met een cv‑ketel op aardgas.
We blijven volop investeren in duurzame bronnen en werken stap voor stap toe naar 70% CO₂‑besparing in 2030 en 100% in 2040. Dat kost tijd en dat is dan ook niet direct zichtbaar in cijfers. Maar we zetten duidelijke stappen, groot en kleiner. In Midden- en West-Brabant, waar ons grootste net ligt, zijn we hard op weg naar een flinke verduurzamingsslag. Met het programma Assetoptimalisatie zijn we structureel bezig met in kaart brengen en doorvoeren van aanpassingen aan onze warmtenetten en -installaties met het doel deze steeds duurzamer te maken en de prestaties nog verder te verbeteren.
Zo lees je het warmte-etiket:
1. Primaire energiefactor (PEF): Drukt uit hoeveel fossiele energie nodig is voor de productie, distributie en levering van de warmte. Hoe lager dit getal is, hoe beter.
2. CO₂-uitstoot en -besparing: De CO₂-besparing is het verschil tussen de CO₂-uitstoot die vrijkomt bij de productie en distributie van warmte en de CO₂-uitstoot die vrijkomt als elke woning of onderneming dezelfde warmte zou opwekken met een cv-ketel op aardgas. Hoe groter de besparing, hoe beter. De relatieve CO₂-besparing verschilt per warmtenet en is afhankelijk van de bron en de warmte- en energieverliezen van de infrastructuur. Hoe duurzamer de bron, hoe meer deze bijdraagt aan de relatieve CO₂-besparing. Bij warmtenetten met een warmtekrachtkoppeling (WKK) als bron neemt de CO₂-besparing in de loop der jaren af. Een WKK wekt zowel elektriciteit als warmte op. Bij de berekening van de CO₂-uitstoot voor warmteproductie met een WKK wordt de vermeden CO₂-uitstoot door elektriciteitsproductie dan ook in mindering gebracht op de totale CO₂-uitstoot van de installatie. Omdat de landelijke mix voor elektriciteitsproductie steeds duurzamer wordt, voornamelijk door het toenemende aandeel wind- en zonne-energie, neemt de vermeden CO₂-uitstoot op elektraproductie af. Als gevolg hiervan neemt de CO₂-uitstoot voor de warmteproductie toe. De WKK’s, die lange tijd als zeer energie-efficiënt gezien werden, zullen dus geleidelijk minder gaan presteren op CO₂-besparing voor warmteproductie. Daarom zullen ze op termijn vervangen worden door een duurzamer alternatief.
3. Aandeel hernieuwbare energie: Het percentage hernieuwbare energie binnen de totale hoeveelheid energie die we gebruiken van opwek tot levering. Hoe hoger het percentage, hoe duurzamer.
4. Aandeel restwarmte: Het aandeel restwarmte uit industriële processen en datacenters binnen de totale hoeveelheid hernieuwbare energie die we gebruiken van opwek tot levering.
5. Warmteverlies: Tijdens het transport van het warme water van de bron naar de woningen en bedrijven is er warmteverlies. Hoe lager het warmteverlies, hoe beter. De relatieve warmteverliezen kunnen per warmtenet verschillen en zijn afhankelijk van onder meer de nettemperaturen, de omvang en transportcapaciteit, en het aantal en type klanten. Warmtenetten in een dicht stedelijk gebied waar veel klanten op aangesloten zijn, hebben een zogenaamde hoge warmtedichtheid en dus relatief lage warmteverliezen. Netwerken waar een relatief uitgestrekt warmtenet ligt of waar de volledige capaciteit nog niet benut is, zullen relatief hoge warmteverliezen hebben.